Wetsvoorstel om onnodige corona-faillissementen te voorkomen

Wetsvoorstel om onnodige corona-faillissementen te voorkomen 17 september 2020

Om te voorkomen dat als gevolg van de corona-crisis ondernemingen nodeloos failliet verklaard worden, komt de regering met een wetsvoorstel. Hieronder licht ik in het kort toe wat de wet in inhoudt. Veel ondernemingen zijn door of als gevolg van de coronamaatregelen in financiële moeilijkheden gekomen en hebben moeite om aan hun betalingsverplichtingen te voldoen. De diverse overheidsmaatregelen om de liquiditeitsproblemen van ondernemers te verlichten, bieden lang niet in alle gevallen voldoende soelaas. Deze ondernemingen lopen het risico failliet te worden verklaard wanneer hun schuldeisers niet willen of kunnen wachten totdat de liquiditeitsproblemen weer voorbij zijn.

Vermijdbare faillissementen voorkomen

De regering heeft op 3 september 2020 een wetsvoorstel (Tijdelijke wet COVID-19 SZW en JenV, nr. 35557) bij de Tweede Kamer ingediend dat ervoor moet zorgen dat vermijdbare faillissementen worden voorkomen. Om dat doel te bereiken, wordt de mogelijkheid geopend om de behandeling van faillissementsverzoeken die worden ingediend tegen in de kern gezonde ondernemingen, uit te stellen. De rechter kan een faillissementsverzoek voor maximaal twee maanden aanhouden. Deze termijn kan tweemaal met maximaal twee maanden worden verlengd. 

Bescherming alleen voor in de kern gezonde ondernemingen

De onderneming wiens faillissement wordt aangevraagd moet wel zelf om het uitstel verzoeken en moet daarbij beknopt aannemelijk maken dat de liquiditeitsproblemen uitsluitend of hoofdzakelijk zijn veroorzaakt als gevolg van de uitbraak van COVID-19. Dit wordt vermoed het geval te wanneer de onderneming vóór de corona-uitbraak voldoende liquide middelen had om zijn opeisbare schulden te voldoen, en sinds de uitbraak een omzetverlies heeft van ten minste 20% ten opzichte van de gemiddelde omzet in drie voorgaande maanden.

Uitstel kan alleen worden verleend wanneer het vooruitzicht bestaat dat de onderneming na het uitstel zijn schuldeisers wel zal kunnen voldoen, al is het door middel van een betalingsregeling. De rechter zal de belangen van de onderneming wiens faillissement is aangevraagd en de belangen van de schuldeiser die het faillissement heeft aangevraagd tegen elkaar afwegen. De belangen van die schuldeiser mogen door het uitstel niet wezenlijk of onredelijk worden geschaad.

Uitstel van betaling voor reeds opeisbare schulden

Zolang het uitstel geldt, kan de onderneming niet worden gedwongen de vordering van de schuldeiser die het faillissement heeft aangevraagd, te voldoen. Uitstel van de behandeling van de faillissementsaanvraag leidt dus tevens tot uitstel van betaling. Dit geldt overigens alleen voor de vorderingen die opeisbaar zijn geworden voordat het uitstel wordt verleend. De vorderingen die daarna opeisbaar worden – voor bijvoorbeeld nieuwe bestellingen of voor een nieuwe huurtermijn – moeten wel betaald worden. In het verlengde van dit betalingsuitstel kan de onderneming aan de rechter vragen dat de schuldeiser die het faillissement heeft aangevraagd niet zonder machtiging van de rechter goederen van de onderneming kan uitwinnen of opeisen.

De onderneming moet tijdens het uitstel overigens wel oppassen met de betaling van reeds opeisbare schulden aan andere schuldeisers. Bestaat er voor de betaling van die andere schulden geen voldoende rechtvaardiging en wordt uiteindelijk toch het faillissement uitgesproken, dan kan de curator dergelijke betalingen wellicht terugdraaien (actio pauliana) of bestuurders persoonlijk aansprakelijk stellen. Een voorbeeld van voldoende rechtvaardiging is wanneer die betalingen noodzakelijk zijn om de levering van essentiële grondstoffen te waarborgen.

Niet-betaling geen reden voor verlies van contracten

Zolang het uitstel geldt, mag de schuldeiser die het faillissement heeft aangevraagd de niet-betaling niet aangrijpen als grond voor de beëindiging of opschorting van de onderliggende overeenkomst. Dit is nodig om te voorkomen dat waardevolle overeenkomsten verloren gaan en de onderneming om die reden alsnog geen gelegenheid heeft de coronatijd te overleven.

Schorsing van executie en opheffing van beslag

Ook als schuldeisers van een onderneming niet het faillissement aanvragen, maar wel overgaan tot beslaglegging of tot uitwinning van een zekerheidsrecht (pandrecht of hypotheek) kan de onderneming aan de rechter vragen hier een stokje voor te steken. Hiervoor gelden dezelfde voorwaarden als voor de toewijzing van een verzoek tot uitstel van de behandeling van een faillissementsverzoek.

Bron: rijksoverheid